Nacht was het eerste boek dat Elie Wiesel (1929) schreef. Het verscheen
in 1958 in de Franse vertaling van het
Jiddische manuscript. Sindsdien werkte hij aan een omvangrijk
oeuvre. In 1986 kreeg hij de Nobelprijs voor de Vrede om zijn inzet voor
alle slachtoffers van onderdrukking. Wiesel is nu Amerikaans
staatsburger en woont in New York.
Recent is een nieuwe editie van Nacht verschenen. Niet slechts een
heruitgave van de oorspronkelijke versie, maar een hervertaling van het
origineel. In het voorwoord vertelt Wiesel over de geschiedenis van zijn
debuut. Over zijn overtuiging dat het toen zijn plicht was zijn verhaal
te vertellen. Over zijn onmacht de juiste woorden daarvoor te vinden.
Want die hadden hun oude, bekende betekenis verloren.
"Ik schreef in mijn moedertaal, die toen zo goed als vernietigd
was, en ik stopte na iedere zin (......). Wat het woordenboek me
bood leek te mager, te bleek, te levenloos".
Het oorspronkelijke yiddische manuscript telde 800 pag's. Wiesel ging
zelf al al aan het schrappen. De Franse redacteur redigeerde tot een nog
kortere versie. En deze nieuwe uitgave telt, in de uitgave van
Meulenhoff, nog slechts 113 pag's. Waarom deze editie? Wiesel (in
samenvatting):
Mijn Engels was destijds niet goed. Ik accepteerde de vertaling.
Bovendien werd het boek destijds nauwelijks verkocht. Nu is de
situatie anders. Literatuur over die tijd is alom object van studie.
Mijn vrouw heeft nu opnieuw zeer nauwkeurig en rigoreus geredigeerd.
Het verhaal. In de ik-vorm vertelt Wiesel zijn verhaal. Hij groeit op in
een
chassidisch - joods Hongaars gezin in het stadje Sighet. Vader
drijft een winkel. Er zijn nog drie zussen, de jongste is 7 jaar. De
jonge Eliezer is buitengewoon vroom: gebiologeerd door de studie in de
Talmoed
en de
kabbala. De oorlog blijft lang ver weg. Overduidelijke signalen
worden genegeerd. Het Rode Leger is immers in aantocht. Tot in voorjaar
'44 de Duitsers, na hun inval in Hongarije, alsnog toeslaan. Eerst het
getto. Daarna de deportatie. Het gezin Wiesel wordt afgevoerd.
Auschwitz. Elie is
vijftien jaar.
De aankomst daar zal bepalend worden. Het stokje wijst 'naar rechts'
voor de vrouwen, hoewel Elie de impact daarvan nog niet doorziet,
natuurlijk. Maar hij ziet wel de vuurkuil waarin jonge kinderen worden
geworpen. De vrome jongen verliest op dat moment zijn geloof. Pag. '57:
"Nooit zal ik die vlammen vergeten die mijn geloof voorgoed
verteerden".
En toen later een jonge jongen aan de galg werd gehangen. Pag. 88.:
"Waar is God toch?" " Waar Hij is? Daar hangt hij aan de galg".
Van Auschwitz naar
Buna. En vandaar naar
Buchenwald. De kampen worden achter hen ontruimd. Vader en zoon
houden elkaar vast. Maar vlak voor het einde overlijdt de vader in een
pijnlijke scene. Hij roept om zijn zoon. Maar die houdt zich doof.
Angst. Het is een pijnlijk en terugkerend thema in deze getuigenis. Het
verlies van identiteit en integriteit onder onmenselijke omstandigheden.
Over ontmenselijking dus.
Laatste zinnen:
"Toen ik op een dag weer kon opstaan, wilde ik in de spiegel
kijken die tegenover me aan de muur hing. Sinds het getto had ik
mezelf niet meer gezien. Vanuit de spiegel staarde me een lijk aan.
Zijn blik in mijn ogen heeft me nooit meer verlaten".

Mart