Beppe Severgnini: Italianen voor gevorderden door
vertaling: Hans E. van Riemsdijk



Tja, wat moet je met een boek als dit? De schrijver neemt ons, niet-Italianen, mee op reis om ons de Italianen uit te leggen. De reis gaat van noord naar zuid. Ik verwachtte daarom eigenlijk verschillen tussen Italianen uit het noorden en die uit het zuiden. Maar nee, het gaat echt om DE Italianen (met als enige nuancering de vermelding ergens tussen haakjes dat Italianen uit het zuiden Italianen in het kwadraat zijn). De reis is alleen een kapstok om onderwerpen aan op te hangen.
Zo begint de reis in Milaan op het vliegveld Malpensa. Dat vliegveld is de kapstok om onder andere de houding van Italianen tegenover een uniform (schuchterheid) uit te leggen, om de vertellen dat esthetiek het wint van ethiek en dat het voor een Italiaan te banaal is om zich zo maar aan (verkeers)regels te houden. In het hoofdstuk Milaan worden dan onder meer eet- en drinkgewoontes, winkelen, cafébezoek, de eetkeuken, de slaapkamer en de badkamer behandeld.

In het hoofdstuk Naar Toscane wordt de televisie besproken. In Toscane zelf landschapsinrichting en het plein (deze moet je kunnen vertalen wil je de cursus Italianen voor gevorderden volgen). Ook komt het raam als de omtrek van de fantasie van de Italianen aan de orde.

Ik houd hier op met de opsomming, ik bedoel er maar mee aan te tonen dat de diverse onderwerpen in alle steden en overal onderweg ter sprake hadden kunnen komen. Ze zijn niet plaats- of situatiegebonden.

Het boek is niet dik, maar ik had de grootste moeite om erdoorheen te komen. De taal is stug en de vertaling hier en daar slordig. De vorm van aan de hand meegenomen te worden resulteert in het veelvuldig gebruik van ‘jullie’. Dit irriteerde me op een gegeven moment mateloos. In het Italiaans worden doorgaans de persoonsvormen weggelaten omdat ze in de werkwoordsvorm worden uitgedrukt. In het Nederlands kan dat niet en dat levert zinnen op als:

‘Als jullie buitenlanders het over Italië hebben, kunnen jullie flink overdrijven. Jullie switchen van verrukte opwinding naar moedeloze wanhoop, zonder stil te staan bij de heilzame tussenstations van stomme verwondering.’

Een voorbeeld van slordig taalgebruik/slordige vertaling (er zijn er meer):

‘De spectaculaire doorbraak van de mobiele telefoon in Italië heeft niet alleen te maken met het gebruiksgemak, maar ook omdat het wezen van de gsm in grote lijnen samenvalt met de volksaard.’

De grootste moeite had ik met het onmogelijke gegeven. Het is zo vergaand generaliserend dat er uiteindelijk niets overblijft. Daarmee hangt samen de onduidelijk doelgroep van dit boek. Er wordt gezegd dat dit de niet-Italianen zijn. Nu eens zijn het Amerikanen, dan Britten, dan Duitsers en dan weer Nederlanders. Maar uiteindelijk blijken die Italianen volle vaten van tegenstrijdigheden en misschien dus toch gewoon mensen?
Tegen het einde van het boek zijn we terug in Milaan, en wel in het stadion San Siro. Daar staat dan de zin die voor mij het boek onderuithaalt:

‘Een Italiaans stadion is het bewijs dat Italianen, ook al ze met tienduizenden bij elkaar zitten, stuk voor stuk van elkaar blijven verschillen.’

Ja, dat leek mij nu toch ook. Waarom dan zo’n generaliserend boek schrijven? Op sommige plaatsen lijkt het er dan ook sterk op dat het boek voor Italianen zelf geschreven is. Zo is er kritiek op de passiviteit veroorzaakt door de televisie, kritiek op het verdwijnen van karakteristieke kleine winkeltjes, kritiek op overheidsmaatregelen.

Waar er niet over DE Italianen wordt gesproken maar over het land zelf, zoals over het bij de auteur geliefde Sardinië, wordt het boek opeens een stuk leesbaarder. Dan verdwijnt dat irritante gejullie en word je als lezer enthousiast gemaakt.

Maar dit alles neemt niet weg dat er ook wel de nodige vermakelijke passages in staan. Hieronder volgen er een paar.

In het restaurant:

‘Als ze een verkeerd gerecht bestellen, dan is dat omdat ze zich willen vergissen, om vervolgens te kunnen klagen. Ook dat heeft iets geraffineerds.’

Over de dreiging van gastronomisch snobisme in de Italiaanse keuken:

`Een bewijs is wel de mode van de oeverloze stijlbloempjes: de doodgewoonste dingen krijgen volstrekt onbegrijpelijke namen. Veel restaurateurs vinden het niet te geloven dat ze zomaar gratis kunnen beschikken over al die woorden, en daarom overdrijven ze. Weten jullie nog, gisteravond in I Navigli? Jullie kozen een gepureerd groentesoepje, maar op het menu stond ´velouté van seizoensgroente met een parfum van wilde venkel, geserveerd met crostini en olijfolie van koude persing uit de Abruzzen´ (een manier om er tien euro voor te laten betalen).’

Over goederen die wachten op hergebruik of op een andere nuttige bestemming en die in allerlei hoekjes en gaatjes van appartementen eindigen:

´Waarom zou je in hemelsnaam vier föhns bewaren (gekocht in 1988, 1994, 1996 en 2001) als je niet van plan bent een overzichtstentoonstelling te organiseren over ‘Haardrogen door de jaren heen’.Maar ga dat in sommige huishoudens maar eens uitleggen. Ze zullen niet naar je luisteren: het vriesdrogen van de voltooid verleden tijd is de nationale sport van de bourgeoisie.

Over het interieur van een bank in Rome:

‘De vloer is bekleed met grijs linoleum. Het ziet er smerig uit wanneer het schoon is, maar heeft het grote voordeel er schoon uit te zien als het vuil is.’

Tot slot toch nog maar weer een punt van kritiek, maar ditmaal niet op de schrijver of vertaler begrijp ik inmiddels, maar op de uitgever. Venetië wordt niet aangedaan in dit boek. Waarom dan toch een foto op de kaft van Venetië? Ik begin me onderhand bedrogen te voelen door dergelijk uitgeversbeleid.



Paula
 

 


Beppe Severgnini (Crema, 1956) schrijft voor het Italiaanse dagblad Corriere della Sera. Hij was Italiëcorrespondent voor The Economist (1996-2003), en is auteur van tien Italiaanse bestsellers. In 2004 werd Beppe Severgnini uitgeroepen tot Europees journalist van het jaar.
(meer bij Uitgeverij
Nieuw Amsterdam
)

Italië.nl in gesprek met de schrijver

 

Boekgrrls

Laatste keer bijgewerkt: 08/08/06  Eisjen

Terug naar top pagina