Tja, wat moet je met een boek als dit? De schrijver neemt ons,
niet-Italianen, mee op reis om ons de Italianen uit te leggen. De reis
gaat van noord naar zuid. Ik verwachtte daarom eigenlijk verschillen
tussen Italianen uit het noorden en die uit het zuiden. Maar nee, het
gaat echt om DE Italianen (met als enige nuancering de vermelding ergens
tussen haakjes dat Italianen uit het zuiden Italianen in het kwadraat
zijn). De reis is alleen een kapstok om onderwerpen aan op te hangen.
Zo begint de reis in Milaan op het vliegveld Malpensa. Dat vliegveld is
de kapstok om onder andere de houding van Italianen tegenover een
uniform (schuchterheid) uit te leggen, om de vertellen dat esthetiek het
wint van ethiek en dat het voor een Italiaan te banaal is om zich zo
maar aan (verkeers)regels te houden. In het hoofdstuk Milaan worden dan
onder meer eet- en drinkgewoontes, winkelen, cafébezoek, de eetkeuken,
de slaapkamer en de badkamer behandeld.
In het hoofdstuk Naar Toscane wordt de televisie besproken. In Toscane
zelf landschapsinrichting en het plein (deze moet je kunnen vertalen wil
je de cursus Italianen voor gevorderden volgen). Ook komt het raam als
de omtrek van de fantasie van de Italianen aan de orde.
Ik houd hier op met de opsomming, ik bedoel er maar mee aan te tonen dat
de diverse onderwerpen in alle steden en overal onderweg ter sprake
hadden kunnen komen. Ze zijn niet plaats- of situatiegebonden.
Het boek is niet dik, maar ik had de grootste moeite om erdoorheen te
komen. De taal is stug en de vertaling hier en daar slordig. De vorm van
aan de hand meegenomen te worden resulteert in het veelvuldig gebruik
van ‘jullie’. Dit irriteerde me op een gegeven moment mateloos. In het
Italiaans worden doorgaans de persoonsvormen weggelaten omdat ze in de
werkwoordsvorm worden uitgedrukt. In het Nederlands kan dat niet en dat
levert zinnen op als:
‘Als jullie buitenlanders het over Italië hebben, kunnen jullie
flink overdrijven. Jullie switchen van verrukte opwinding naar
moedeloze wanhoop, zonder stil te staan bij de heilzame
tussenstations van stomme verwondering.’
Een voorbeeld van slordig taalgebruik/slordige vertaling (er zijn er
meer):
‘De spectaculaire doorbraak van de mobiele telefoon in Italië
heeft niet alleen te maken met het gebruiksgemak, maar ook omdat het
wezen van de gsm in grote lijnen samenvalt met de volksaard.’
De grootste moeite had ik met het onmogelijke gegeven. Het is zo
vergaand generaliserend dat er uiteindelijk niets overblijft. Daarmee
hangt samen de onduidelijk doelgroep van dit boek. Er wordt gezegd dat
dit de niet-Italianen zijn. Nu eens zijn het Amerikanen, dan Britten,
dan Duitsers en dan weer Nederlanders. Maar uiteindelijk blijken die
Italianen volle vaten van tegenstrijdigheden en misschien dus toch
gewoon mensen?
Tegen het einde van het boek zijn we terug in Milaan, en wel in het
stadion San Siro. Daar staat dan de zin die voor mij het boek
onderuithaalt:
‘Een Italiaans stadion is het bewijs dat Italianen, ook al ze met
tienduizenden bij elkaar zitten, stuk voor stuk van elkaar blijven
verschillen.’
Ja, dat leek mij nu toch ook. Waarom dan zo’n generaliserend boek
schrijven? Op sommige plaatsen lijkt het er dan ook sterk op dat het
boek voor Italianen zelf geschreven is. Zo is er kritiek op de
passiviteit veroorzaakt door de televisie, kritiek op het verdwijnen van
karakteristieke kleine winkeltjes, kritiek op overheidsmaatregelen.
Waar er niet over DE Italianen wordt gesproken maar over het land zelf,
zoals over het bij de auteur geliefde Sardinië, wordt het boek opeens
een stuk leesbaarder. Dan verdwijnt dat irritante gejullie en word je
als lezer enthousiast gemaakt.
Maar dit alles neemt niet weg dat er ook wel de nodige vermakelijke
passages in staan. Hieronder volgen er een paar.
In het restaurant:
‘Als ze een verkeerd gerecht bestellen, dan is dat omdat ze zich
willen vergissen, om vervolgens te kunnen klagen. Ook dat heeft iets
geraffineerds.’
Over de dreiging van gastronomisch snobisme in de Italiaanse keuken:
`Een bewijs is wel de mode van de oeverloze stijlbloempjes: de
doodgewoonste dingen krijgen volstrekt onbegrijpelijke namen. Veel
restaurateurs vinden het niet te geloven dat ze zomaar gratis kunnen
beschikken over al die woorden, en daarom overdrijven ze. Weten
jullie nog, gisteravond in I Navigli? Jullie kozen een gepureerd
groentesoepje, maar op het menu stond ´velouté van seizoensgroente
met een parfum van wilde venkel, geserveerd met crostini en
olijfolie van koude persing uit de Abruzzen´ (een manier om er tien
euro voor te laten betalen).’
Over goederen die wachten op hergebruik of op een andere nuttige
bestemming en die in allerlei hoekjes en gaatjes van appartementen
eindigen:
´Waarom zou je in hemelsnaam vier föhns bewaren (gekocht in 1988,
1994, 1996 en 2001) als je niet van plan bent een
overzichtstentoonstelling te organiseren over ‘Haardrogen door de
jaren heen’.Maar ga dat in sommige huishoudens maar eens uitleggen.
Ze zullen niet naar je luisteren: het vriesdrogen van de voltooid
verleden tijd is de nationale sport van de bourgeoisie.
Over het interieur van een bank in Rome:
‘De vloer is bekleed met grijs linoleum. Het ziet er smerig uit
wanneer het schoon is, maar heeft het grote voordeel er schoon uit
te zien als het vuil is.’
Tot slot toch nog maar weer een punt van kritiek, maar ditmaal niet
op de schrijver of vertaler begrijp ik inmiddels, maar op de uitgever.
Venetië wordt niet aangedaan in dit boek. Waarom dan toch een foto op de
kaft van Venetië? Ik begin me onderhand bedrogen te voelen door
dergelijk uitgeversbeleid.