Elvis Peeters beschrijft een scenario over vluchtelingen dat- hoop ik-
nooit bewaarheid wordt. Deel een is het verhaal van een ik-figuur, een
man van wie we niet meer te weten komen dan dat hij weg wil uit zijn
land. Met de boot overzee. Welke land is niet bekend, ook de
nationaliteit van de man niet. Voor zover we weten heeft hij geen
familie, geen vrienden, geen bezittingen, alleen de kleren aan zijn lijf,
en een klein spaarpotje in zijn schoenen. Hij slaapt op straat, soms met
de beschutting van een kartonnen doos. Dan ontmoet hij een vrouw.
"Ik stonk, ik zocht naar geld. In een deuropening stond een vrouw
die me aankeek. Ik keek onbeschaamd terug, ze nodigde met uit met
een hoofdbeweging. Met mijn handen in mijn zakken stak ik de straat
over, ging haar door de deur achterna."
Zo vindt hij onderdak: hij maakt gebruik van de vrouw zoals zij het
van hem doet. Hij verkoopt haar bezittingen en gaat uit stelen om het
geld voor de overtocht bij elkaar te krijgen. Als ze vertrekken, samen
met ontelbare lotgenoten in een groot vies scheepsruim, verliezen ze
elkaar uit het oog.
In deel twee bevinden we ons in een onbepaald Vlaams dorp. Wat begint
met de verdwijning van groentes uit moestuintjes en een kip van een erf,
ontaardt in een schrikwekkende invasie van ontelbare vreemdelingen.
Eerst slapen ze nog buiten en vragen om eten, maar naarmate het er
steeds meer worden groeit het probleem, en wordt onoplosbaar. Overal in
Europa is de toestand als in dit dorp. De vluchtelingen zijn
onverstaanbaar, doen niet echt kwaad, maar door hun aantal kan geen
westerling om hun stille eisen heen. Ze worden als het ware bedolven.
Natuurlijk blijft dat niet goed gaan.
"Waar zitten ze? wie, wat bedoelen jullie? Deze buurt is vandaag
aan de beurt. Ze wordt gezuiverd. Vooruit, zitten ze boven, in de
kelder?
Dan volgt deel drie. We zijn weer bij de ik-figuur, de vluchteling.
Voorbij het volgende huis, dacht ik, voorbij de volgende weg,
voorbij de volgende horizon. Als ik niet zo weer legbaar wist dat ik
leefde, de honger, de begeerte, de pijn in mijn benen, het stof en
het licht in mijn ogen en 's nachts het donker en de kou, nam ik er
genoegen mee dat ik het allemaal had van horen zeggen. Op mijn
gehoor viel niets aan te merken. Voorbij het volgende huis, dacht ik,
voorbij de volgende weg, voorbij de volgende horizon.
Peeters ziet het erg somber in en schreef dit boek over een invasie
waarbij de overheid machteloos staat. Ik zal het maar beschouwen als een
sciencefictionachtig verhaal, in de hoop dat dit nooit werkelijkheid
wordt, ik moet er niet aan denken. Maar het is wel een probleem dat ook
in realiteit al boven onze hoofden groeit. In deel één is het verhaal
nog erg vaag, weet je als lezer niet waar het boek nu eigenlijk over
gaat. Maar even doorzetten, en al gauw leg je het boek niet meer weg en
verdwijnt het ook niet uit je hoofd. Elvis Peeters was genomineerd voor
de Libris Literatuurprijs.