Tussen november 2007 en maart 2011 bezoekt Katherine Boo
regelmatig Annawadi, een sloppenwijk(je) gelegen op land dat
eigendom is van de luchthavenautoriteiten van Mumbai. Rondom Annawadi
staan vijf extravagante luxe hotels, die dankzij de snel groeiende
economie in India als paddenstoelen uit de grond zijn gerezen. In
Annawadi leven drieduizend mensen in slechts 335 hutten, waarvan er
maar zes een vaste baan hebben. De rest maakt deel uit van de grote
informeel georganiseerde economie.
Katherine Boo begint haar verhaal met een schokkend voorval dat zich op
een dag in 2008 voltrekt. De kreupele Fatima steekt zichzelf in brand
en beschuldigd op haar sterfbed haar buren er valselijk van dat zij
haar tot die daad hebben aangezet. In India is het aanzetten tot
zelfmoord een zeer ernstig vergrijp. Als
hoofdschuldige wijst zij - onder aansporing van de speciale
ambtenaar - de oudste zoon de tiener Abdul Hakim Hunsain aan. Abdul
verdient zijn geld door het verkopen van afval aan recycling-bedrijfjes
en zorgt daarmee voor een groot deel voor het inkomen van het
mohammedaanse gezin. Het wrange is dat Abdul er altijd alles aan gedaan
heeft om zo min mogelijk op te vallen, omdat hij er van overtuigd is
dat alleen op die manier het lot hem zal behoeden voor rampen en
catastrofes.
In de hoofdstukken die volgen introduceert de schrijfster naast Abdul
en Fatima nog een aantal bewoners van de sloppenwijk die ze gedurende
vier jaar volgt. Zo is daar de eerzuchtige Asha, getrouwd
met een alcoholist, die slumbaas wil worden. Tot grote afschuw van haar dochter Munja, wiens ambitie het is om de
eerste afgestudeerde vrouw van Annawadi te worden, deinst zij daarbij
niet terug voor allerlei vormen van corruptie. En er is Sunil, een 12
jarige wees en afvalraper, die hoopt dat hij op een gegeven moment
zoveel kan eten dat hij toch nog zal groeien en groter wordt dan zijn
jongere zusje. De concurrentie onder de afvalrapers is moordend (soms zelfs letterlijk) en
de kleine Sunil heeft ook nog eens de pech dat hij tot een lage kaste
behoort. Maar het zijn niet alleen de andere af valrapers die het
steeds moeilijker voor hem maken om zijn kostje te verdienen, met de
komst van professionele schoonmaak-bedrijven blijft er steeds minder afval op straat liggen.
In de loop van de opvolgende jaren wordt de rechtsgang tegen Abdul en
zijn familie voorbereid, zijn er spanningen tussen verschillende
religieuze groeperingen en kasten, vinden er terroristische
aanslagen in Mumbai plaats en slaat wereldwijd de recessie toe. Het
zijn gebeurtenissen die allemaal hun weerslag hebben op het leven van
de bewoners in één van de kleinere sloppenwijken in India.
Wat me het meest verbaasde was niet eens de ongelooflijke corruptie die
in alle rangen en standen van de bevolking voorkomt, maar meer de harde
mentaliteit en in veel gevallen ook onverschilligheid van de bewoners
van Annawadi. Natuurlijk snap ik dat het wel een kwestie van overleven
zal zijn, maar het trof me toch onaangenaam dat ook daar mensen
terzijde geschoven worden vanwege handicap, kaste of geloof. En niet
alleen terzijde geschoven, ook getreiterd, benadeeld en gekleineerd.
Solidariteit is misschien wel een luxe.
Natuurlijk heb ik ook flink mijn wenkbrauwen opgetrokken bij de
staaltjes corruptiepraktijken die werden beschreven: kleding die door
grote bedrijven geschonken werden aan een weeshuis en door de nonnen
doorverkocht werden, alleen maar op papier bestaande scholen die grote
sommen subsidiegeld binnen halen, bezoekers van goede doelen
instellingen een rad voor ogen draaien zodat ze met meer geld over de
brug komen enz. Het lijkt of geen enkel systeem gevrijwaard is van
omkooppraktijken en zodoende is er ook geen sprake van een eerlijke
rechtsgang. Het is eerder een kwestie van aan de juiste mensen de
juiste hoeveelheid geld geven dan dat een degelijk onderzoek
bepaald of iemand schuldig of onschuldig is. Het Indiase strafrecht- systeem
is net zo'n markt als de markt voor afval zo zegt Abdul op een
gegeven moment ergens in het verhaal. Maar zo merkt Katherine Boo op
waar voor ons westerlingen corruptie iets verwerpelijks is, is het voor de
armen in India vaak één van de weinig mogelijkheden om hoger op te
klimmen of zelf geld binnen te halen. Het zijn de jonge mensen die het
meeste ethische besef hebben. Ze zijn veel minder in staat om vanuit
puur egoïsme te handelen dan volwassenen, maar toch zullen ze
waarschijnlijk later ook net zo als hun ouders doorlopen als een gewonde afvalraper langs de kant van de
weg om hulp smeekt.
De meest betrouwbare getuigen van de gebeurtenissen die in Een beter
bestaan beschreven worden bleken de kinderen te zijn. Deels omdat die
zich weinig bezig houden met de economische en religieuze opvattingen
van hun ouders en deels ook omdat zij zich niet druk maken over hoe hun
verhaal over zou kunnen komen. Zelfs Fatima's dochtertjes, die
bij de burenruzie aanwezig waren bleven volhouden dat Abdul onschuldig
was aan de zelfverbranding van hun moeder.
Wat ik wel prettig vond was dat ze het harde leven in Annawadi aan de
hand van een een paar personen en een centrale
gebeurtenis beschreef. Door te beginnen met een Abdul die zich voor de
politie verbergt zit je ook meteen midden in het verhaal. Het is een
realistisch, nuchter, maar toch aangrijpend verslag geworden over
overleven en niet opgeven en in sommige gevallen de keuze om dat wel te
doen.

Janneke
|


Katherine Boo
Booktrailer
Artikel over Katherine Boo
en haar boek in
The New York Times
|