HET VERHAAL
Van de achterflap: "Een jonge schilder, in de mode vanwege zijn rake portretten, krijgt een opdracht die anders is dan alle voorgaande:
schilder een gestorven jongen. ‘Je redt er een leven mee,’ zegt de steenrijke vader [Specht] van de jongen. De schilder weet dat hij
zichzelf zal moeten overtreffen. Wie was de jongen? Waarom is hij dood? Waarom komt
de vader het schilderij niet afhalen? Specht en zoon is een rijke roman over de wens iemand op de wereld te zetten."
DE VORM
Het boek is niet geschreven vanuit een persoon of dier, maar vanuit een ding: het doek waarop het schilderij van de zoon (Singer) gemaakt zal
worden. Het is een "Zeer Dicht Geweven Vier Maal Universeel Geprepareerd",
aldus het doek over zichzelf (inclusief de hoofdletters). Het doek is groot en trots en duidelijk voorbestemd om iets bijzonders te worden.
"Geen wonder dat ik, ondanks mijn aangeboren bescheidenheid, ben gaan dromen van een leven in een museum, met dagelijks drommen bezoekers om mij
heen."
Dit is natuurlijk een aparte benaderingswijze, maar voor mij werkt het niet. Het boek is te dun (143 pgs) om je langzamerhand met het ding te
kunnen identificeren en te dik om niet de behoefte tot identificatie te voelen: een kort verhaal had misschien wel kunnen overtuigen. De
schrijver wil je er nu regelmatig aan herinneren dat het geen mens is; dat het zijn
kennis alleen verwerft door wat het direct ziet en hoort. Zoals: "Het is
me nooit helemaal gelukt om te begrijpen wat een spiegel is. Ik maakte uit
het vervolg van de dialoog op dat hij, net als ik, opgehangen kan worden
en dat men er vervolgens in kijkt. Maar wat hij voorstelde, de spiegel, dat vatte ik niet." Zo'n opmerking zet me op afstand, irriteert me omdat
het geforceerd overkomt: de schrijver spreekt hier en niet het doek. Aan
de andere kant weet het ding soms dingen die het niet kan weten (daarvoor
is het boek dus te dun) zoals wanneer het neerkijkt op 'gewone' schilderijen, die "in een net iets te droge, cv-gestookte huiskamer" belanden. Het doek is nooit in een huiskamer geweest maar kan blijkbaar wel begrijpen wat een cv is? Niet consequent en opnieuw spreekt hier de schrijver. Eigenlijk lijkt het dus alsof Willem Jan Otten zelf niet genoeg tijd neemt om zich het personage helemaal eigen te maken.
Natuurlijk heb ik me afgevraagd of het aan _mij_ ligt dat ik me niet met
het ding kan identificeren. Ik heb bijvoorbeeld ook niet veel met boeken
waarin dieren of fantasiewezens de hoofdrol spelen. Maar als ik dan denk
aan The white bone van de Canadese schrijfster Barbara Gowdy, dat gaat over een olifantenmythe... Daarin _was_ ik vol overgave Mud, een olifant.
STIJL
Opvallend is dat er behalve punten en komma's in dialogen geen leestekens
voorkomen. Het volgende citaat doe ik dus ook even zonder aanhalingstekens, net als in het boek ;-)
Glaasje wijn, vroeg hij.
Heb je wit, vroeg Minke.
Waarom zou dat zijn? Als je de vraagtekens erbij denkt, wordt de dialoog
opeens een stuk goedkoper...
"Glaasje wijn?", vroeg hij.
"Heb je wit?", vroeg Minke.
Willem Jan Otten heeft dus een goede keus gemaakt om de leestekens weg te
laten: het leest prettiger doordat het 'droger' overkomt. Maar het geeft
ook aan hoe dicht het schrijfsel soms de grens van pulp nadert.
De stijl van het boek is verder vrij afstandelijk, wat identificatie met
de ik-figuur (het schilderij) natuurlijk weer tegenwerkt. Het doek _weet_
dat de schilder Felix Vincent heet, maar blijft hem eigenwijs "Schepper"
noemen. Wellicht bedoeld als verwijzing naar God en/of ouderschap, maar op
mij kwam dit alles bij elkaar wat hoogdravend over. Een stijloefening?
MIJN MENING VERDER
Nog even mijn mening over het verhaal zelf. Maar pas op, dit stukje bevat
Z
W
A
R
E
S
P
O
I
L
E
R
S
!
Op ongeveer een derde van het boek begon ik te vrezen dat het verhaal voorspelbaar en vooroordeelbevestigend zou zijn.
'Een homosexuele man met een jonge jongen uit een arm land, dat moet toch
haast wel foute boel zijn.' Het blijkt de bedoeling dat je dat denkt en gelukkig loopt het anders, maar het verrassende eind is niet overtuigend.
Minke, die in het boek wordt gepresenteerd als een competente journaliste,
blijkt haar vernietigende verhaal te baseren op een enkele internetbron.
Terwijl toch iedereen weet dat je meerdere bronnen moet raadplegen en de
betrouwbaarheid van websites erg beperkt is. De betreffende site (waarvan
je nu ook weer geen geweldige effecten kunt verwachten) wordt bovendien onderhouden door een zwaar verslaafde jongen die verder geen
behoorlijk leven kan leiden. Sorry, dat is me toch te makkelijk een verrassend eind
eraan gebreid.
En dan worden er in dit dunne boekje een aantal Grote Vergelijkingen
gemaakt: Schepper-God, kind maken-kunst scheppen. Maar _waarom_ wordt er
een kind verwekt op het moment dat het kunstwerk af is en wordt het schilderij vernietigd als het kind geboren wordt? Het wordt je wel erg
opgelegd om over deze dingen te moeten nadenken en ik word daar niet toe
verleid. Waarom deze metaforen? Omdat dit Literatuur is. Dat vind ik prententieus en dan reageer ik tegendraads: het zal me dan een worst
wezen. De verhandeling hierover blijf ik jullie dus schuldig.
TOT SLOT
Het moge duidelijk zijn dat ik dit boek geen aanrader vind. Toch staat het
op de shortlist voor de AKO Literatuurprijs 2005. Tja, smaken verschillen.
Maarrrrr... ik heb ook een citaat genoteerd dat me erg aansprak. Daar wil
ik dus maar mee besluiten.
"Als je iemand kwijt bent, zei Lidewij, en je moet toch aan hem denken, dan is dat altijd de moeite van het vertellen waard."
Gnoe
Wat
je erover schrijft sluit wel aan bij de indruk die ik er van had
gekregen uit de pers: gekunsteld en erg literatuurderig.
't Is zo'n boek wat ik hooguit zou meenemen als je het ziet liggen in de
bieb. En na lezing van jouw verslag weet ik niet of ik dat nog wel zou
doen.
Maar
stond dit boek niet ook op de lijst voor de Gouden Doerian, oftewel een
van de slechtste boeken van het afgelopen jaar? Ben je het dan met die
nominering wel eens, Gnoe?
Ik
weet niet of het daar ook op stond. Tja, wat vind ik... Als 'pretentieus'
een criterium is dan wel. En de irritatie die het opriep...
(de stekels van de doerian) ehm tja, dat is natuurlijk wel een emotie.
Ik heb het uiteindelijk niet kwaad in een hoek gegooid of na drie
bladzijden definitief dichtgeslagen, maar ik had natuurlijk ook wel een
stok achter de deur. Moeilijk te
beantwoorden vraag dus. Ik zou eerst moeten bedenken wat voor slechte
boeken ik allemaal zou kunnen nomineren ;-)
Gnoe
|
Onderstaande boeken stonden op die
lijst, maar ik ken niet de redenen waarom zij uitverkoren waren. Gezien de
onenigheid later bij de juryleden, is het misschien ook een hoop onzin geweest..hoewel..er zitten toch wel
minder goede boeken bij, vind ik...
Clark Accord : Tussen Apoera en Oreala
Yasmine Allas : De blauwe kamer
Robert Anker : Hajar en Daan
Kees van Beijnum : Het verboden pad
Walter van den Berg : De hondenkoning
Ad ten Bosch : Huidhonger
Désanne van Brederode : Het opstaan
Herman Brusselmans : Ik ben rijk en beroemd en ik heb nekpijn
Jessica Durlacher : Emoticon
Rob van Essen : Engeland is gesloten
Miriam Guensberg : De portiekvrijer
Maarten 't Hart : Lotte Weeda
Joke J. Hermsen : De profielschets
Tessa de Loo : De zoon uit Spanje
Liesbeth Mende : Afhaalmeisje
Saskia Noort : De eetclub
Willem-Jan Otten : Specht en zoon
Monika van Paemel : Celestien
Ilja Leonard Pfeijffer : Het grote baggerboek
Greta Seghers : De opdrachtgeefster
Marijke Spies : Een onschuldige familie
Marjo
|
De Ako
Literatuur prijs tot nu toe
|
| 1987 |
J.
Bernlef |
Publiek geheim |
| 1988 |
Geerten
Meijsing |
Veranderlijk en wisselvallig |
| 1989 |
Brigitte
Raskin |
Het koekoeksjong |
| 1990 |
Louis
Ferron |
Karelische nachten |
| 1991 |
P.F. Thomése |
Zuidland |
| 1992 |
Margriet de
Moor |
Eerst
grijs, dan wit, dan blauw |
| 1993 |
Marcel Möring |
Het grote verlangen |
| 1994 |
Gerhard L.
Durlacher |
Quarantaine |
| 1995 |
Conny
Palmen |
De vriendschap |
| 1996 |
Frits van
Oostrom |
Maerlants wereld |
| 1997 |
A.F.TH. vd
Heijden |
Onder het plaveisel het moeras |
| 1998 |
Herman
Franke |
De verbeelding |
| 1999 |
Karel Glastra
v Loon |
De passievrucht |
| 2000 |
Arnon
Grunberg |
Fantoompijn |
| 2001 |
Jeroen
Brouwers |
Geheime kamers |
| 2002 |
Allard Schröder |
De hydrograaf |
| 2003 |
Dik van der
Meulen |
Multatuli-leven en werk van Eduard Douwes Dekker |
| 2004 |
Arnon
Grunberg |
De asielzoeker |
|
De
Gouden Dourian 2005
|
|