In de wintermaanden mag ik graag droogtuinieren via een tuinboek. Dit boek
staat in de bibliotheek bij de romans en daar hoort het misschien ook wel
thuis, want praktische tuinadviezen zul je er niet in vinden. Waar gaat het over? Over de persoon van Jamaica Kincaid zelf zou ik zeggen. Ze
filosofeert over de kolonisering van de Caraïben, over het verschil tussen
mannen en vrouwen, over tuinieren, over van alles eigenlijk, maar vooral
over haar persoontje. Uit mijn woordkeus blijkt waarschijnlijk al dat de
Kincaid in dit boek voor mij een vreemde tante is gebleven. In de eerste
plaats door de stijl die zij hanteert. Ze is dol op zinsdelen tussen
haakjes. Ik verdwaal in die in stukjes gehakte zinnen die ook nog vaak gewild filosofisch zijn. Dat gaat dan zo: pag.22
''Nadat hij naar mij had gekeken (een poosje, neem ik aan, maar wat is een poosje eigenlijk?), liep
de vos verder op de stijlvolle manier van alle wezens die erop vertrouwen
dat de grond waarop ze hun voeten neerzetten, op zijn plaats zal blijven,
dat hij zal liggen waar ze de grond verwachten.''
Wat is ze toch voor iemand? Ze eindigt het boek met de volgende karakteristiek van zichzelf:
''...onder het eten werd ik bevangen door het verlangen om al mijn disgenoten die niet met me meereisden (Jill
en tante Annie), te onthoofden omdat... omdat.... omdat. Zo is Eden, zo uiterst comfortabel dat het me ertoe verleidt om ongemak te
veroorzaken; ik verkeer in een staat van voortdurend ongemak en die staat bevalt me zo
goed dat ik hem graag wil delen.''
Ze voelt zich niét ongemakkelijk in een echt huiselijke ruimte. Dit is haar definitie van 'huiselijke
ruimte':
''iedere ruimte waarin iemand zich bij het afscheiden van lichamelijke
vloeistoffen niet ongemakkelijk voelt''.
Ik zie er geen tuinboek in, geen roman, geen essay, maar een duidelijk
vakje vind ik ook niet per se nodig. Het boek gaat over iemand die kapitalen uitgeeft aan zeldzame planten, die zaden gaat zoeken in China
van bijzondere planten die dan door anderen voor haar worden opgekweekt.
Al doende bedenkt ze van alles en dat schrijft ze dan op.
Jamaica Kincaid heet eigenlijk Elaine Potter Richardson; ze is in 1949 in
Antigua geboren en veranderde haar naam omdat haar familie haar schrijven
sterk afkeurde. Ze schrijft in een ander verband:
'' families zijn een kwaadwillig zootje, ongeacht de de wijzigingen die ze ondergaan, ongeacht
de vorm die ze aannemen, ongeacht hoe mooi ze er uitzien, omgeacht de aardige dingen die ze zeggen''.
Ze woont nu met man en kinderen in Vermont in de Verenigde Staten. Ze geeft les aan Harvard University. Ze debuteerde
in 1978 met de verhalenbundel 'At the Bottom of the River'. In de romans
Annie John (1985) en Lucie (1989) staat de relatie tussen moeder en dochter centraal, net als in De autobiografie van mijn moeder (1996), die
genomineerd was voor The National Book Award. Haar boeken verschenen in Nederlandse
vertaling. Haar meest recente publicatie is de bloemlezing My Favorite Plant (1998).
De vertaling van Mijn tuin(boek): is van Kathleen Rutten en Uitgeverij
Gianotten en Anna Perquin heeft de tekst nog eens gecorrigeerd staat er
voorin. Over de kwaliteit van de vertaling kan ik niet oordelen zonder het
origineel erbij, maar in de tekst zitten nog veel fouten tegen het
Nederlands. (evenveel dan, orderlijk, dit ontwerp was niet de hunne
enzovoort).
Waarom het boek in drie delen is onderverdeeld kan ik niet vertellen, ik
zie geen dwingende reden daarvoor.
Nog wat positiefs: ze vertelt ook wel eens iets aardigs, bijvoorbeeld dat de in China verbouwde groenten er zo 'levenskrachtig'
uitzien omdat de Chinezen hun grond bemesten met menselijke ontlasting. En
haar observatie dat Christenen zo wreed kunnen zijn tegen mensen die een
andere mening zijn toegedaan dan zijzelf klinkt in deze tijd bepaald
verfrissend. Als uitsmijter haar volgende uitspraak:
''Voor sommige mensen is een constante toestand van irritatie hetzelfde als zuurstof'',
LOL, daarom bleef ik toch doorlezen zeker.
Hé
Marietje, wat leuk toch dat we een Boekgrrl ter plekke hebben, ''onze
correspondente'' in Boston (dat was het toch?). Jouw verhaal over
Kincaid bevestigt de vreemde indruk die ik van haar kreeg. Ik herinner
me nu ook een passage waarin ze tegen haar negenjarig dochtertje zegt
dat ze met plezier de nekjes zou knakken van de vogeltjes in de tuin,
waarop het kind onthutst zegt, dat dat heel gemeen is en zij dan als
excuus aanvoert dat die vogels haar bloemen aanpikken :-(( Zo iemand als
Rosenboom kan er ook wat van in Vriend van Verdienste, maar dit is geen
fictie over een gestoorde jongen, dit is een gesprek met haar dochtertje,
als historisch