Net gekocht en nu al uit. In één ruk. Prachtig, meeslepend, vol
geschreven, echte personen en zo droevig. Een politie-agent beschrijft aan
het eind van zijn leven zijn herinneringen aan 'De Zaak', de mensen erom
heen en de mensen in zijn leven. Althans zo lijkt het. Belle de Jour, een
meisje van tien, de dochter van een restaurantbaas uit het naburige
stadje, wordt vermoord gevonden bij het kanaal. Er zijn sterke
aanwijzingen naar een dader, er wordt een dader gevonden. Waarom kan de
schrijver deze zaak niet laten rusten? Het is te nauw met zijn leven
verweven geraakt, zijn eigen geluk is - tja - erin opgegaan, verwoest. En
dat alles tegen de achtergrond van een eerste wereldoorlog, die het dorpje
alleen maar zijdelings zou raken. Een citaat? Ach, een brokstuk, het hele
boek staat vol mooie zinnen en gedachten: "Ik weet niet precies waar ik
zal beginnen. Het is moeilijk. Al die tijd die is verstreken valt niet
meer in woorden te vatten, en de gezichten, glimlachen en wonden evenmin.
Maar toch moet ik het proberen te vertellen. Vertellen wat ik al twintig
jaar op mijn hart heb. Berouw en grote vragen. Ik moet het mysterie als
een buik openrijten en er mijn beide handen in steken, ook als dat nergens
iets aan verandert." Aldus de eerste zin. Meer info in deze recensie bij
het Parool
Oorspronkelijke
titel is Les âmes grises en het is vertaald door Manik Sarkar. Het boek
kreeg in Frankrijk de Prix Renaudot en de Grand Prix des Lectrices de
Elle. De Franse boekverkopers riepen het uit tot het beste boek van het
jaar. Maar ja, wat is dat allemaal waard? Gewoon lezen, het is het waard.
Jop noemde de 'Grijze zielen' een
angstaanjagend sprookje. Angst joeg het me niet aan, wel weerzin soms en ik werd er erg droevig van. Een sprookje
vind ik het niet; de moraal ontbreekt en alles wat er gebeurt, is maar al
te mogelijk. Ik hield aan dit boek vooral gemengde gevoelens over. Zeker
is het sfeervol en mooi geschreven. Maar de schrijver 'leent' zijn pen aan
een politieman in een klein Frans stadje van wie ik me afvraag of de taal
waarin het geschreven is, zijn taal kan zijn. Soms wel, maar vaak ook
niet, had ik het gevoel. Verder heb ik me af en toe stevig gestoord aan de
ver doorgevoerde stereotypen: de goeden sterven jong, alle vrouwen zijn
engelen, alle mannen duivels en nog zo wat. De nacht met de 'kleine Breton' bezorgde me wel koude rillingen, net als de
'ontknoping'. Ineke heeft bij de bookcrossers een ring voor dit boek gemaakt en ik stuur het
vandaag door naar Jacq H. Na haar staan er nog een aantal lezers op de
lijst, waaronder veel boekgrrls. Ben heel benieuwd naar volgende
meningen.
Hai Edith, zou de moraal van het verhaal niet zijn dat goed en kwaad in
elk mens allebei aanwezig zijn? Vandaar toch die grijze zielen. In sprookjes wordt goed netjes tegenóver kwaad gezet,
heel geruststellend voor de lezer die natuurlijk in het goede kamp thuishoort. De scènes die
jou koude rillingen bezorgden zijn die scènes waarin die ongemakkelijke
moraal wordt geïllustreerd . Was de hoofdfiguur iemand geweest met wie je
je gemakkelijk kon identificeren, dan was de klap wel harder aangekomen.
Wat is het toch dat die afstand schept? Is het die wat te plechtige taal?
Of inderdaad die stereotypering ? Het stereotype hoort trouwens wel thuis
in een sprookje. Of is het misschien het geheim waardoor je je nooit in het hoofd van de politieman kunt begeven. Hij weet wat jij nog niet weet
en dat voel je. Ik zou het indrukwekkender hebben gevonden als de schrijver het voor elkaar had gekregen dat je je zo met de hoofdpersoon
had geïdentificeerd dat je het gevoel zou krijgen dat JIJ degene bent die
óók het kwaad heeft bedreven waarvan je gedacht had dat dat nooit mogelijk
zou zijn. Dat is voor mij alleen maar een gedachte gebleven, het werd geen
ervaring.
"Hai Edith, zou de moraal van het verhaal niet zijn dat goed en kwaad in
elk mens allebei aanwezig zijn?" schreef Jop.
Haal ik er niet echt uit. Het ronduit slechte wordt vooral vertegenwoordigd door Mierck en zijn compaan, die geen
enkele rechtvaardiging voor hun wandaden kennen en behoeven dan hun macht. De
procureur en de ik-figuur worden meer als slachtoffers voorgesteld: zij zijn hun goede genius in de vorm van hun echtgenote kwijt en dat heeft ze
dusdanig ontworteld dat ze, in het geval van de politieman zeker en in het
geval van de procureur mogelijk, tot wandaden komen.
"Het stereotype hoort trouwens wel thuis in een sprookje."
Dat is waar. Maar dat zijn meestal wat meer universele stereotypen:
rijkdom, armoede, ijdelheid, wreedheid, slachtofferschap, opofferingsgezindheid
enz. De stereotypen in dit boek zijn zo heel erg Fráns, zo katholiek ook. Ik waande me vaak helemaal terug in de
sfeer van mijn Franse schoonfamilie in de jaren zeventig: de vrouwen lief, trouw én
sterk, de mannen machtswellustig of onmachtig en zwak, de pastoor die in
de zielen van de mensen kan kijken. De standen ook keurig waar ze horen,
met als uitzondering de adellijke vrouw (natuurlijk een vrouw) die in een
ziekenhuis gaat werken nadat ze weduwe is geworden. Zij houdt zich
staande, terwijl de twee weduwnaars in het boek gebroken zijn. De gemengde
gevoelens waarover ik schreef zijn precies dat: gemengd. Ik ergerde me vaak tijdens het lezen, maar het is wel een boek dat blijft
hangen.
Edith schreef:
"De procureur en de ik-figuur worden meer als slachtoffers voorgesteld: zij zijn hun goede genius in de
vorm van hun echtgenote kwijt en dat heeft ze dusdanig ontworteld dat ze,
in het geval van de politieman zeker en in het geval van de procureur
mogelijk, tot wandaden komen."
Dit vind ik een fraaie observatie: het goede van de man bestaat volgens
dit boek uit zijn vrouw. Niks grijze zielen dus, man zwart, vrouw wit. Alleen de optelsom is grijs ;-)
*Grijns*. De roman als kleurplaat :-)